ECLI:NL:CRVB:2010:BM8897
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV wegens onvoldoende onderzoek bij weigering WW-uitkering na ontslag wegens verwijtbaar gedrag
Appellant was sinds 1999 in dienst bij zijn werkgever en vertoonde vanaf 2006 ongepast en aanstootgevend gedrag, waaronder spugen, obscene gebaren en schietbewegingen naar collega’s. Na diverse waarschuwingen werd hij op staande voet ontslagen in oktober 2007. De kantonrechter oordeelde later dat het ontslag onterecht was vanwege psychische klachten van appellant, maar ontbond de arbeidsovereenkomst toch vanwege het ontbreken van een goede verstandhouding.
Het UWV weigerde daarop de WW-uitkering met het argument dat appellant verwijtbaar werkloos was omdat hij had kunnen weten dat zijn gedrag tot ontslag zou leiden. De rechtbank handhaafde dit besluit, maar de Centrale Raad van Beroep stelde vast dat het UWV onvoldoende onderzoek had gedaan naar de mate van verwijtbaarheid, ondanks de bekende psychische klachten van appellant.
De Raad oordeelde dat het UWV onzorgvuldig had gehandeld door niet zelf onderzoek te verrichten en zich uitsluitend te baseren op de beschikking van de kantonrechter. Daarom werd het besluit vernietigd en moest het UWV opnieuw beslissen, met inachtneming van de uitspraak. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit van het UWV tot blijvende weigering van de WW-uitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende onderzoek naar verwijtbaarheid; het UWV moet opnieuw beslissen.