ECLI:NL:CRVB:2010:BM7453
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering WW-uitkering wegens werkzaamheden voor echtgenotes onderneming
Appellant ontving vanaf 1 juli 2004 een WW-uitkering. Naar aanleiding van een melding dat hij onbetaald werkzaamheden verrichtte voor de onderneming van zijn echtgenote, stelde het UWV een onderzoek in. Op basis van bevindingen herzag het UWV de uitkering en vorderde onverschuldigde bedragen terug, waarbij slechts twee uren per week werden vrijgelaten.
De rechtbank vernietigde dit besluit deels omdat het UWV onvoldoende rekening hield met vakantie en verbouwing en wees het UWV niet te veroordelen in proceskosten. In hoger beroep stelde appellant dat zijn werkzaamheden niet als productief moesten worden gezien omdat hij niet betaald werd en 40 uur beschikbaar was voor de arbeidsmarkt. De Raad verwierp dit en oordeelde dat de werkzaamheden economisch verkeer betroffen waardoor het werknemerschap over die uren verloren ging.
De Raad bevestigde dat appellant zijn inlichtingenplicht had geschonden door de uren niet te melden en dat het UWV terecht een schatting maakte op basis van kassabonnen. De vaststelling van vrij te laten uren volgens buitenwettelijk beleid werd niet onaanvaardbaar geacht. De Raad vernietigde het vonnis voor zover het proceskosten betrof en veroordeelde het UWV tot vergoeding van €1650,- aan appellant. Het beroep tegen het besluit van 31 augustus 2009 werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt deels gegrond verklaard, het UWV wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding en het besluit van 21 oktober 2008 wordt vernietigd behalve voor kosten in bezwaar.