ECLI:NL:CRVB:2010:BM6160
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verrekening toeslag op WAO-uitkering met WW-uitkering zonder dringende reden
Appellante was sinds 1998 arbeidsongeschikt en ontving aanvankelijk een WAO-uitkering met een hoge mate van arbeidsongeschiktheid. In 2004 werd deze uitkering herzien naar een lagere mate van arbeidsongeschiktheid, waarna zij tevens een WW-uitkering en toeslag ontving. De WW-uitkering werd in 2006 beëindigd, waarna de toeslag werd verhoogd. Later bleek dat de WW-uitkering te vroeg was beëindigd en werd deze met terugwerkende kracht toegekend.
Het UWV verrekende vervolgens de toeslag op de WAO-uitkering over de periode dat de WW-uitkering met terugwerkende kracht werd toegekend. Appellante maakte bezwaar tegen deze verrekening, stellende dat zij hierdoor onder het minimuminkomen kwam te zitten, wat een dringende reden zou vormen om niet te verrekenen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en onderschreef het standpunt van het UWV.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat dringende redenen slechts in uitzonderlijke gevallen kunnen leiden tot het afzien van verrekening. Appellante had geen feiten aangevoerd die een dergelijke dringende reden aannemelijk maakten. De stelling dat het inkomen onder het minimum lag werd niet onderbouwd en was bovendien in strijd met de nabetaling die het UWV had gedaan. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat geen dringende reden bestaat om af te zien van de verrekening van de toeslag op de WAO-uitkering met de met terugwerkende kracht toegekende WW-uitkering.