ECLI:NL:CRVB:2010:BM6147
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ontzegging WW-uitkering over te veel opgenomen vakantiedagen
Appellant ontving een WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheidsgraad van 80-100%, die na herbeoordeling werd vastgesteld op 15-25%. Vanaf 23 juli 2007 vroeg appellant een WW-uitkering aan en meldde vakantie van 26 juli tot 31 augustus 2007. Het UWV kende hem een WW-uitkering toe vanaf 23 juli 2007, maar ontzegde hem het recht op uitkering over achttien vakantiedagen, omdat hij meer vakantiedagen opnam dan het evenredige deel van het maximum van twintig per jaar.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de Vakantieregeling WW een evenredige vermindering van vakantiedagen voorschrijft bij een WW-aanvang halverwege het jaar. De rechtbank verwierp het argument dat een uitzondering voor WAO-ers gerechtvaardigd zou zijn, omdat deze geen vakantiedagen opbouwen tijdens WAO.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de regeling onbillijk is omdat hij geen vakantiedagen had opgenomen tijdens de WAO-periode en dat hij daardoor onterecht minder vakantiedagen kreeg toegekend in de WW. De Raad onderschreef echter het oordeel van de rechtbank en benadrukte dat de Vakantieregeling WW een algemeen verbindend voorschrift is zonder afwijkingsmogelijkheid. Ook als appellant een dienstverband had gehad, zou het recht op vakantiedagen naar evenredigheid zijn vastgesteld.
De Raad concludeerde dat het UWV terecht het recht op WW-uitkering over achttien vakantiedagen heeft ontzegd en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit tot ontzegging van WW-uitkering over achttien vakantiedagen wordt bevestigd.