ECLI:NL:CRVB:2010:BM6119
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV over WW-uitkering wegens benadelingshandeling appellant
Appellant was sinds 2002 in dienst bij zijn werkgever en beëindigde de arbeidsovereenkomst in januari 2008 met wederzijds goedvinden, met een overeengekomen opzegtermijn van vijf maanden voor de werkgever. Het UWV stelde de eerste werkloosheidsdag aanvankelijk op 1 februari 2008 en weigerde de WW-uitkering tot en met 30 juni 2008 wegens een benadelingshandeling, omdat appellant de opzegtermijn niet in acht zou hebben genomen.
De rechtbank bevestigde dit standpunt, maar oordeelde dat het UWV onvoldoende had onderzocht of een schuldverrekening door de werkgever invloed had op de opzegtermijn. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de opzegtermijn van vijf maanden voor de werkgever geldt en dat appellant door het niet naleven daarvan het Algemeen Werkloosheidsfonds heeft benadeeld. Het UWV heeft echter het standpunt gewijzigd en gaat uit van 1 april 2008 als eerste werkloosheidsdag, waardoor de periode van de uitkeringsweigering verschuift.
De Raad vernietigt de uitspraak voor zover het UWV een nieuw besluit moet nemen en bevestigt de rest. Het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten van appellant en moet het griffierecht vergoeden. Het nieuwe besluit moet rekening houden met de gewijzigde eerste werkloosheidsdag en de juiste opzegtermijn.
Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd voor zover het een nieuw besluit moet nemen, waarbij het UWV rekening moet houden met de juiste eerste werkloosheidsdag en opzegtermijn.