ECLI:NL:CRVB:2010:BL9488
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting
Appellanten ontvingen vanaf 1 januari 2005 bijstand op grond van de WWB. Tijdens een onderzoek in november 2006 bleek dat appellant sinds 1 november 2006 werkzaam was zonder dit te hebben gemeld, en dat er meerdere bankrekeningen en een onroerend goed in Marokko waren die niet waren opgegeven. De Regionale Sociale Dienst (RSD) verzocht om aanvullende informatie, maar appellanten leverden niet alle gevraagde gegevens aan.
Het Dagelijks Bestuur van de RSD trok de bijstand met ingang van 1 november 2006 in en herzag de bijstand over de periode 1 januari 2005 tot 31 oktober 2006 wegens het niet kunnen vaststellen van het recht op bijstand. Tevens werd een bedrag van €30.981,- teruggevorderd. Appellanten maakten bezwaar en gingen in beroep, maar leverden ook in hoger beroep niet alle ontbrekende bankafschriften aan.
De Raad oordeelt dat appellanten de inlichtingenverplichting uit hoofde van artikel 17 WWB Pro hebben geschonden door het niet melden van drie bankrekeningen. Hierdoor kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Het Dagelijks Bestuur heeft terecht gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid tot intrekking en terugvordering op grond van artikel 54 en Pro 58 WWB. De Raad bevestigt het bestreden vonnis en ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens schending van de inlichtingenverplichting.