ECLI:NL:CRVB:2010:BL9068
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering WW-uitkering wegens reistijd als gewerkte uren
Appellante was sinds 1 januari 2007 op basis van een nulurenovereenkomst in dienst bij een werkgever en ontving een WW-uitkering. Het UWV herzag haar uitkering omdat zij naast de feitelijk gewerkte uren ook reistijd en niet-genoten vakantie-uren als werktijd kon opvoeren en daarvoor loon ontving. Dit leidde tot een herzieningsbesluit, terugvordering van onverschuldigde uitkering en een boetebesluit.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, maar oordeelde dat het herzieningsbesluit niet aan de orde was. Appellante stelde in hoger beroep dat de reistijd niet als werktijd mocht worden aangemerkt omdat zij beschikbaar was voor de arbeidsmarkt. Het UWV handhaafde het standpunt dat de reistijd als werktijd geldt, maar trok het boetebesluit in.
De Raad oordeelde dat het herzieningsbesluit wel degelijk onderdeel was van het bestreden besluit en vernietigde de uitspraak van de rechtbank wegens strijd met de Awb. De Raad bevestigde dat de reistijd terecht als gewerkte uren is aangemerkt, omdat appellante hiervoor loon ontving en de werkgever ook een reiskostenvergoeding betaalde. De terugvordering van de WW-uitkering is daarmee terecht. Het beroep tegen het boetebesluit werd gegrond verklaard en dat besluit herroepen. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.
Uitkomst: Het boetebesluit wordt herroepen, maar het herzienings- en terugvorderingsbesluit worden bevestigd; het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.