ECLI:NL:CRVB:2010:BL8878
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- B.W.N. de Waard
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging recht op Ziektewet-uitkering wegens geschiktheid voor gangbare arbeid
Appellant, laatstelijk werkzaam als aankomend dakdekker, meldde zich ziek wegens rug- en gewrichtsklachten. Na afloop van de wachttijd werd een WIA-uitkering geweigerd omdat zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 35% was vastgesteld. Appellant ontving vervolgens een Ziektewet-uitkering, die het UWV beëindigde per 10 maart 2008 op basis van medische beoordelingen die hem geschikt achtten voor functies als wikkelaar of parkeercontroleur.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit en voerde in hoger beroep aan dat zijn medische beperkingen niet waren verbeterd, dat geen arbeidskundig onderzoek had plaatsgevonden, dat geen beoordeling in het kader van de Wet Amber was verricht, en dat zijn WSW-indicatie onvoldoende was meegewogen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Raad bevestigt deze uitspraak.
De Raad stelt dat het recht op ziekengeld volgens artikel 19 ZW Pro geldt bij ongeschiktheid voor de laatstelijk verrichte arbeid, tenzij na de maximumtermijn blijvende ongeschiktheid voor die arbeid bestaat en geen hervatting in enig werk heeft plaatsgevonden, waarbij gangbare arbeid als maatstaf geldt. De medische rapportages van verzekeringsarts Wolter en bezwaarverzekeringsarts Heijltjes zijn overtuigend en onderbouwd, en tonen aan dat appellant geschikt is voor ten minste één gangbare functie. De door appellant overgelegde WSW-indicatie bevat geen medische onderbouwing die tot een andere beoordeling leidt. Ook de Wet Amber is niet van toepassing op de Ziektewet-beoordeling. De Raad concludeert dat het hoger beroep faalt en bevestigt het bestreden besluit.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het recht op Ziektewet-uitkering wordt beëindigd per 10 maart 2008.