ECLI:NL:CRVB:2010:BL2806
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot herziening WAO-besluit wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant, een voormalig zelfstandig ondernemer, ontving een WAO-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Het UWV had bij besluit vastgesteld dat appellant in 2000 geen verlies aan verdiencapaciteit had, waardoor de uitkering werd stopgezet. Appellant verzocht later om herziening van dit besluit op grond van vermeende nieuwe feiten over zijn fiscale winst in 1997.
Het UWV wees dit verzoek af omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die herziening rechtvaardigden. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en stelde dat nieuwe jurisprudentie op zichzelf geen reden is om het besluit te herzien. Appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank dat het verzoek om terug te komen op het besluit niet kon worden gehonoreerd. De informatie die appellant aanvoerde was geen nieuw feit, maar een andere onderbouwing van eerder ingenomen standpunten. Bovendien had appellant destijds beroep kunnen instellen tegen het oorspronkelijke besluit. De Raad oordeelde dat het UWV bevoegd was het verzoek af te wijzen en dat er geen sprake was van strijd met rechtsregels of beginselen.
De Raad zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en bevestigde de uitspraak van de rechtbank Breda.
Uitkomst: Het verzoek tot terugkomen op het eerdere WAO-besluit wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.