ECLI:NL:CRVB:2010:BL2089
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- C. van Viegen
- W.F. Claessens
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugvordering bijstand bij erfdeel met langstlevende testament
Betrokkene ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Na het overlijden van haar moeder en vader ontstond aanspraak op erfdeel uit beide nalatenschappen, waarbij de beschikking over het erfdeel van de vader pas op een later moment plaatsvond. Het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam trok de bijstand in en vorderde kosten terug over de periode vanaf het overlijden van de moeder.
De rechtbank oordeelde dat het College wel bevoegd was tot terugvordering, maar dat de grondslag onjuist was gekozen. De terugvordering moest worden gebaseerd op de waarde van het erfdeel van de moeder op het moment van haar overlijden, niet op het moment van beschikking over het erfdeel van de vader.
Het College ging in hoger beroep tegen deze uitspraak, stellende dat de terugvordering moest worden gebaseerd op het moment waarop betrokkene daadwerkelijk over de middelen beschikte. De Raad overwoog dat bij toepassing van artikel 58 WWB Pro onderscheid moet worden gemaakt tussen de periode waarin aanspraak bestond op het erfdeel van de moeder en de periode vanaf het overlijden van de vader.
De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank en bepaalde dat het College een nieuw besluit moet nemen waarbij de waarde van het erfdeel van de moeder op het moment van haar overlijden als uitgangspunt wordt genomen. Daarnaast werd het College veroordeeld in de proceskosten van betrokkene.
Uitkomst: Het hoger beroep van het College wordt verworpen en de terugvordering moet worden gebaseerd op de waarde van het erfdeel van de moeder op het moment van haar overlijden.