ECLI:NL:CRVB:2010:BL0372
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H. Bolt
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering en verplichte terugvordering voorschotten
Betrokkene diende op 20 februari 2006 een aanvraag in voor een WIA-uitkering. Het UWV verleende haar op 19 september 2006 een voorschot, maar besloot op 16 februari 2007 dat geen recht op WIA-uitkering bestond en stopte verdere voorschotten. Tevens werd terugvordering van reeds betaalde voorschotten bevolen. Betrokkene maakte bezwaar, maar trok dit later in.
De rechtbank Amsterdam oordeelde dat het UWV de aanvraag traag had afgehandeld, waardoor betrokkene in financiële problemen kwam, en verklaarde het bezwaar gegrond. De rechtbank stelde dat volledige terugvordering in strijd was met het fair play-beginsel.
Het UWV ging in hoger beroep en stelde dat de vertraging mede aan betrokkene te wijten was en dat zij tijdig een WW-uitkering had kunnen aanvragen. De Centrale Raad oordeelde dat artikel 77 van Pro de Wet WIA een dwingendrechtelijke terugvorderingsplicht bevat en dat geen dringende redenen waren om hiervan af te wijken. De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van voorschotten door het UWV is rechtmatig.