ECLI:NL:CRVB:2010:BL0188
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens onvoldoende gewerkte weken
Appellante was van 2 mei 2007 tot 1 november 2007 in dienst bij een supermarkt en vroeg een WW-uitkering aan per 1 november 2007. Het UWV weigerde de uitkering omdat zij niet voldeed aan de eis van minimaal 26 gewerkte weken in de referteperiode van 36 weken voorafgaand aan werkloosheid.
Het geschil betrof de juistheid van het werkrooster dat aangaf dat appellante in twee weken wegens ziekte niet had gewerkt. Appellante betwistte dit, maar kon haar stelling niet onderbouwen met bewijs zoals getuigenverklaringen. Het UWV had een zorgvuldig onderzoek gedaan, waarbij de werkgever salarisstroken en werkroosters aanleverde en de ziekteperiode bevestigde.
Zowel de rechtbank als de Raad oordeelden dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat het werkrooster onjuist was. De Raad sloot zich aan bij de overwegingen van de rechtbank en bevestigde dat appellante niet voldeed aan de referte-eis. De weigering van de WW-uitkering werd daarmee bevestigd.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt in ten minste 26 weken te hebben gewerkt en wijst haar beroep af.