ECLI:NL:CRVB:2010:BK9625
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ontzegging WW-uitkering wegens niet-beschikbaarheid voor arbeid
Appellante was sinds maart 2005 werkzaam bij een werkgever en werkte daarnaast in een snackbar. Na ziekmelding in augustus 2007 werd haar ontslag op staande voet door de snackbar-eigenaar medegedeeld, maar de kantonrechter oordeelde dat zij nog steeds in dienst was bij de werkgever. Appellante vroeg vervolgens een faillissementsuitkering aan, die aanvankelijk werd geweigerd. Daarna vroeg zij een WW-uitkering aan met ingang van januari 2008, waarbij zij aangaf ziek te zijn en niet beschikbaar voor arbeid tot januari 2009. Het UWV ontzegde haar de WW-uitkering omdat zij niet werkloos was in de zin van de WW. Tevens werd een verzoek om voorschot afgewezen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze besluiten ongegrond, stellende dat zij niet beschikbaar was voor arbeid en daarom geen recht had op WW. Appellante stelde in hoger beroep dat ook een voorschot op de faillissementsuitkering had moeten worden toegekend, maar de Raad oordeelde dat dit verzoek niet duidelijk was gemaakt en dat het UWV terecht niet op een voorschot voor de faillissementsuitkering hoefde te beslissen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank dat appellante geen recht had op een WW-uitkering omdat zij niet beschikbaar was voor arbeid en dat het UWV terecht het verzoek om een voorschot had afgewezen. De aangevallen uitspraak werd daarmee bekrachtigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de ontzegging van de WW-uitkering en de weigering van een voorschot wegens niet-beschikbaarheid voor arbeid.