ECLI:NL:CRVB:2010:BK8423
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging recht op bijstand ondanks afgebroken huisbezoek en geen nieuw huisbezoek
Betrokkene diende op 13 januari 2006 een aanvraag in voor bijstand. Een huisbezoek op 15 februari 2006 werd voortijdig afgebroken vanwege de agressieve houding van betrokkene, waarna de aanvraag werd afgewezen wegens onvoldoende medewerking. Betrokkene diende een nieuwe aanvraag in op 27 februari 2006, waarna een gesprek plaatsvond op 28 maart 2006. Op basis van de rapportage van dit gesprek werd bijstand toegekend met ingang van 27 februari 2006.
De rechtbank vernietigde het eerdere besluit en oordeelde dat betrokkene recht had op bijstand vanaf 12 januari 2006, omdat het onverenigbaar was dat bijstand werd toegekend vanaf 27 februari 2006 maar niet voor de periode daarvoor. De appellant stelde in hoger beroep dat het besluit van 20 april 2006 onzorgvuldig was omdat er geen nieuw huisbezoek was gedaan.
De Raad overwoog dat de onduidelijkheid over de woonsituatie betrekking had op kook- en douchegelegenheid, maar dat uit de rapportage van 29 maart 2006 bleek dat de ontbrekende inlichtingen waren verstrekt en dat een nieuw huisbezoek niet noodzakelijk werd geacht. De Raad vond het besluit van 20 april 2006 niet onzorgvuldig en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De appellant werd veroordeeld in de proceskosten van betrokkene.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het recht op bijstand vanaf 12 januari 2006 wordt bevestigd.