ECLI:NL:CRVB:2009:BK5736
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WW-uitkering na vaststelling uitkeringsduur
Appellant had een WW-uitkering toegekend gekregen met een duur van drie maanden, vastgesteld bij besluit van 19 januari 2007. Het Uwv beëindigde de uitkering per 28 maart 2007 en verklaarde het bezwaar van appellant tegen deze beëindiging ongegrond. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant eveneens ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat de uitkeringsduur onderdeel was van het besluit van 25 april 2007 en dat het besluit onzorgvuldig en ondeugdelijk gemotiveerd was. Tevens voerde hij aan dat bij de berekening van de uitkeringsduur meerdere arbeidsverhoudingen hadden moeten worden betrokken.
De Raad overwoog dat de uitkeringsduur onherroepelijk was vastgesteld bij het besluit van 19 januari 2007 en dat het Uwv bij de beoordeling van het bezwaar tegen het latere besluit van 25 april 2007 van deze vaststelling moest uitgaan. De verwijzing naar een brief van 27 februari 2007 was slechts informatief en wijzigde niets aan de vastgestelde duur. Het bestreden besluit was zorgvuldig voorbereid en de rechtbank had het besluit van het Uwv op goede gronden bevestigd.
Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WW-uitkering na vaststelling van de uitkeringsduur op drie maanden.