ECLI:NL:CRVB:2009:BK5311
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenplicht en gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand sinds 1998 en werd onderzocht vanwege vermoedens van gezamenlijke huishouding met haar partner, wat gevolgen had voor haar recht op bijstand. De afdeling Bijzonder Onderzoek voerde in juli 2006 waarnemingen en huisbezoeken uit, waarna het College besloot de bijstand over meerdere perioden in te trekken en terug te vorderen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde anders. Voor de perioden vóór 1 augustus 2005 was er onvoldoende feitelijke grondslag voor het standpunt dat appellante en haar partner een gezamenlijke huishouding voerden. Voor de periode vanaf 1 augustus 2005 was er wel voldoende bewijs dat zij een gezamenlijke huishouding hadden, en appellante had nagelaten dit te melden, waardoor zij haar inlichtingenplicht schond.
De Raad vernietigde het besluit tot intrekking en terugvordering voor de eerdere perioden wegens strijd met de Awb en herroept het besluit van 26 oktober 2006 voor die perioden. Voor de periode vanaf 1 augustus 2005 achtte de Raad het College bevoegd om de bijstand terug te vorderen. Tevens veroordeelde de Raad het College tot vergoeding van de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking en terugvordering wordt vernietigd voor perioden vóór 1 augustus 2005, terwijl de intrekking en terugvordering vanaf die datum standhouden.