ECLI:NL:CRVB:2009:BK4221
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbaar werkloos worden na onvoorwaardelijk ontslag
Appellante was werkzaam bij de gemeente Apeldoorn en kreeg onvoorwaardelijk ontslag opgelegd vanwege niet-integer handelen bij de afwikkeling van een subsidieaanvraag van haar echtgenoot met betrekking tot de echtelijke woning. Het UWV weigerde haar WW-uitkering omdat zij verwijtbaar werkloos was geworden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel in hoger beroep. De Raad oordeelde dat appellante redelijkerwijs moest begrijpen dat haar gedrag de beëindiging van de dienstbetrekking tot gevolg kon hebben.
Appellante had zelf de subsidieaanvraag afgehandeld, zorgde voor het inspectierapport en bevoordeelde zichzelf financieel met een subsidie voor herstel van een trapleuning zonder dat daarvoor een aanvraag was gedaan. Er waren geen omstandigheden die dit gedrag konden rechtvaardigen.
Daarom is het hoger beroep niet geslaagd en is de weigering van de WW-uitkering bevestigd. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de blijvende volledige weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbaar werkloos worden.