ECLI:NL:CRVB:2009:BK3386
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak en afwijzing immateriële schadevergoeding in WW-uitkeringszaak
Appellant had aanvankelijk een WW-uitkering geweigerd gekregen wegens verwijtbare werkloosheid, waarna het Uwv bij een later besluit een uitkering van zeven maanden toekende. Appellant vorderde daarnaast vergoeding van immateriële schade en een langere uitkeringsduur. De rechtbank wees de immateriële schadevergoeding af en kende wettelijke rente toe.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtbank zonder nadere zitting uitspraak had gedaan, wat in strijd is met artikel 8:57 Awb Pro. Daarom werd de uitspraak vernietigd en de zaak door de Raad zelf afgedaan. De Raad concludeerde dat appellant wel psychisch onbehagen had, maar niet zodanig geestelijk letsel dat dit een aantasting van zijn persoon opleverde in de zin van artikel 6:106 BW Pro.
Verder oordeelde de Raad dat het Uwv de WW-uitkering correct had vastgesteld op zeven maanden conform artikel 42, tweede lid, WW. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Tot slot werd het Uwv veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan appellant.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot vaststelling van de duur van de WW-uitkering wordt ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.