ECLI:NL:CRVB:2009:BK3384
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling uitkeringsduur WW bij gedeeltelijke werkhervatting en nieuw recht
Betrokkene had een WW-uitkering (recht 1) toegekend gekregen tot 30 november 2009, gebaseerd op een werkweek van 38 uur. Vanaf 5 januari 2006 hervatte hij werkzaamheden voor 32 uur per week bij een andere werkgever, waardoor recht 1 gedeeltelijk eindigde voor die 32 uur. Vervolgens kreeg betrokkene een nieuw WW-recht (recht 2) toegekend met een duur van 38 maanden tot 21 maart 2010.
Betrokkene maakte bezwaar tegen de vastgestelde einddatum van recht 2, stellende dat deze langer had moeten zijn vanwege de gedeeltelijke eindiging van recht 1. De rechtbank oordeelde dat werkhervatting geen nadelige gevolgen mag hebben en stelde de uitkeringsduur van recht 2 op 47 maanden.
Het Uwv ging in hoger beroep en stelde dat de wetgeving alleen verlenging van een volledig geëindigd recht mogelijk maakt en dat de maximale duur van 38 maanden voor recht 2 correct was vastgesteld. De Raad volgde het Uwv en vernietigde de uitspraak van de rechtbank. De Raad oordeelde dat de gedeeltelijke beëindiging van recht 1 niet leidt tot verlenging van recht 2 en dat de oorspronkelijke einddatum van recht 1 blijft gelden.
Uitkomst: De uitkeringsduur van het nieuwe WW-recht wordt vastgesteld op 38 maanden en de oorspronkelijke einddatum van het eerste recht blijft gehandhaafd.