ECLI:NL:CRVB:2009:BK2242
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vaststelling gemiddeld aantal arbeidsuren voor WW- en BBWO-uitkeringen
Appellante was werkzaam bij meerdere onderwijsinstellingen en had na het beëindigen van haar dienstverband bij Stichting A een WW- en BBWO-uitkering aangevraagd. Het UWV stelde het gemiddeld aantal arbeidsuren (gaa) vast op basis van de feitelijke uitbetaalde arbeidsuren (klokuren) en niet op basis van lesuren.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit van het UWV ongegrond, waarbij zij het standpunt van het UWV onderschreef dat bij de berekening van het gaa het aantal klokuren leidend is. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij ook de uren die zij na werktijd maakte ('nawerkuren') in aanmerking genomen moesten worden.
De Raad overwoog dat volgens artikel 16 van Pro de WW het gaa moet worden vastgesteld op basis van het aantal uren dat de werknemer gemiddeld per week arbeid heeft verricht. De Raad vond geen aanwijzingen dat de opgave van de werkuren door Stichting A onjuist was en concludeerde dat het UWV terecht van de klokuren is uitgegaan. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de vaststelling van het gemiddeld aantal arbeidsuren door het UWV wordt bevestigd.