ECLI:NL:CRVB:2009:BJ5142
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing langdurigheidstoeslag wegens inkomsten uit arbeid
Appellante ontving bijstand en vroeg langdurigheidstoeslag aan. Het College van B&W Utrecht weigerde deze toeslag omdat appellante in de periode van 60 maanden vóór 23 mei 2006 inkomsten uit arbeid had genoten. De rechtbank vernietigde het bezwaarbesluit, maar liet de rechtsgevolgen in stand. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de formele rechtskracht van het eerdere besluit zich beperkt tot de rechtsgevolgen en niet tot de feitelijke en juridische oordelen.
De Raad stelde vast dat appellante in de periode mei 2002 tot en met november 2003 inkomsten had uit de verkoop van goederen via internet, waarbij zij betalingen ontving zonder levering. Deze inkomsten werden als inkomen uit arbeid aangemerkt, ook al waren ze op illegale wijze verkregen. Appellante slaagde er niet in te bewijzen dat haar inkomen per kalenderjaar binnen de toegestane grens van € 764,-- bleef.
Daarom kon niet worden vastgesteld dat appellante voldeed aan de voorwaarden van artikel 36, eerste lid, onder b, van de WWB voor langdurigheidstoeslag. Ook haar beroep op arbeidsongeschiktheid en de daarop gebaseerde aanspraak op toeslag werd verworpen. De Raad bevestigde de afwijzing van de toeslag en wees het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: De aanvraag van appellante voor langdurigheidstoeslag is terecht afgewezen wegens inkomsten uit arbeid in de referteperiode.