ECLI:NL:CRVB:2009:BJ4933
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding en onvolledige informatie
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het College stelde vast dat zij vanaf 1 juli 2002 een gezamenlijke huishouding voerden en dat appellant werkzaamheden verrichtte die niet waren gemeld. Hierdoor werd de bijstand ingetrokken en teruggevorderd.
De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond en constateerde dat het College niet had beslist op bezwaren tegen de medeterugvordering. In hoger beroep bevestigt de Raad het oordeel over de gezamenlijke huishouding en de rechtmatigheid van de intrekking tot 14 december 2005, maar oordeelt dat de intrekking vanaf die datum onvoldoende is gemotiveerd omdat het College de vermogenspositie van appellante niet adequaat heeft vastgesteld.
Verder oordeelt de Raad dat het College bevoegd was tot terugvordering en medeterugvordering van bijstandskosten. De Raad vernietigt de uitspraken en beveelt het College een nieuw besluit te nemen over de intrekking vanaf 14 december 2005, en verklaart de bezwaren tegen de medeterugvordering ongegrond. Tevens veroordeelt de Raad het College in de proceskosten van appellanten.
Uitkomst: De Raad vernietigt delen van de uitspraken en beveelt het College een nieuw besluit te nemen over de intrekking van bijstand vanaf 14 december 2005 en verklaart de bezwaren tegen medeterugvordering ongegrond.