ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3030
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herroeping afwijzing bijstand wegens onjuiste woonsituatie en toekenning met toeslag
Appellant had bij het College van B&W van Utrecht bijstand aangevraagd, welke aanvankelijk werd afgewezen vanwege vermeende schending van de inlichtingenplicht over zijn woonsituatie. Het College stelde dat appellant ingeschreven stond in de GBA op het adres van een instelling waar hij gedetineerd was en dat hij niet tijdig had doorgegeven waar hij daadwerkelijk woonde na detentie.
De rechtbank had het beroep van appellant deels gegrond verklaard, maar handhaafde de afwijzing van bijstand over de periode van 6 april tot 16 juni 2006. Appellant ging hiertegen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep, die oordeelde dat de verklaring van appellant over zijn afwisselende verblijf bij zijn ouders en broer voldoende was en dat het College onvoldoende rekening had gehouden met de bewijsnood die door het eigen handelen van het College was ontstaan.
De Raad vernietigde daarom het besluit van 24 augustus 2006 voor zover het de afwijzing betrof over genoemde periode en bepaalde dat appellant bijstand wordt toegekend volgens de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 20%. Tevens werd het College veroordeeld tot vergoeding van de schade door vertraagde uitbetaling, berekend conform wettelijke rente vanaf 1 juni 2006, en tot betaling van de proceskosten.
Uitkomst: Bijstand wordt toegekend over 6 april tot 16 juni 2006 met toeslag van 20%, inclusief schadevergoeding en proceskosten.