ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2787
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake herziening en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Appellanten ontvingen bijstand en een nabestaandenuitkering, waarbij het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam bij onderzoek vaststelde dat zij een gezamenlijke huishouding voerden zonder dit te melden. Op grond hiervan werd de bijstand herzien en teruggevorderd. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het besluit tot herziening, maar stelde de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn vast op €500.
In hoger beroep betoogden appellanten dat er geen sprake was van gezamenlijk hoofdverblijf en dat de schadevergoeding verdubbeld moest worden vanwege de afzonderlijke besluiten jegens beiden. De Raad oordeelde dat de gedingstukken, inclusief verklaringen aan sociale rechercheurs en getuigenverklaringen, voldoende bewijs boden voor gezamenlijke huishouding in de woning van appellante.
De Raad verwierp de stelling dat de verklaringen onder druk waren afgelegd en vond dat het enkele feit van gezamenlijke rechtsmiddelen geen reden was om de schadevergoeding te beperken. Daarom werd de immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn vastgesteld op €1.000. Tevens werd het College veroordeeld in de proceskosten en het betaalde griffierecht aan appellanten vergoed.
Uitkomst: De schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt vastgesteld op €1.000 en het College veroordeeld in proceskosten en griffierecht.