ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2569
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet-woonachtig en schending inlichtingenplicht
Appellant ontving sinds 1981 bijstand, laatstelijk op grond van de WWB. Naar aanleiding van een anonieme melding over het niet-woonachtig zijn op het opgegeven adres, stelde het College een onderzoek in met observaties, verklaringen en getuigenverhoren. Op basis hiervan werd de bijstand vanaf 1 november 2005 ingetrokken en over de periode van 1 juli 1997 tot 31 oktober 2005 herzien en teruggevorderd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat de observaties onrechtmatig waren verkregen, maar de Raad oordeelde dat deze redelijkerwijs nodig waren voor de juiste uitvoering van de WWB. Voor de periode 1 juli 1997 tot 1 oktober 1998 stelde de Raad vast dat appellant werkzaamheden als glazenwasser verrichtte zonder dit te melden, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.
Voor de periode 1 oktober 1998 tot 9 januari 2006 concludeerde de Raad dat appellant niet in Leiden woonde maar bij een derde, hetgeen werd bevestigd door verklaringen van appellant en die derde. Hierdoor had appellant geen recht op bijstand in Leiden. De terugvordering van de bijstandskosten werd als bevoegd en redelijk beoordeeld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand aan appellant worden bevestigd wegens niet-woonachtig zijn en schending van de inlichtingenplicht.