ECLI:NL:CRVB:2009:BJ1656
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- J.P.M. Zeijen
- R. Kruisdijk
- Rechtspraak.nl
Herziening en intrekking WAO-uitkering wegens vermeende wijziging verdiencapaciteit
Appellante ontving een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van 80-100% vanaf 31 december 2004. Het UWV trok deze uitkering in juni 2006 in op grond van artikel 36b WAO, omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt zou zijn. De rechtbank vernietigde dit besluit maar liet de rechtsgevolgen in stand. In hoger beroep betoogde appellante dat zij niet over duurzaam benutbare mogelijkheden beschikte en dat een urenbeperking noodzakelijk was, onderbouwd met medische verklaringen.
De Raad bevestigde de medische grondslag per einde wachttijd (31 december 2004) maar oordeelde dat de intrekking per juni 2006 onvoldoende op medische gronden was gebaseerd. Nieuwe medische rapporten toonden een verslechtering van haar psychische toestand na het overlijden van haar moeder, met ernstige beperkingen in functioneren en reïntegratieperspectief. Dit maakte een relevante wijziging in verdiencapaciteit niet uitgesloten.
De Raad stelde vast dat het bestreden besluit in strijd was met artikel 3:2 Awb Pro en vernietigde het deel van de uitspraak dat de rechtsgevolgen in stand liet. Het UWV werd opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan appellante.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd en het UWV wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.