ECLI:NL:CRVB:2009:BI8406
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit WAZ-uitkering en toekenning immateriële schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn
Appellant, een directeur-grootaandeelhouder, kreeg een gedeeltelijke WAZ-uitkering toegekend die later door het UWV werd heroverwogen en deels niet uitbetaald vanwege anticumulatie. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij werd vastgesteld dat het UWV terecht een volledige heroverweging uitvoerde na een eerdere vernietiging van een besluit, met een nieuwe eerste arbeidsongeschiktheidsdag als uitgangspunt.
De medische beoordeling hield rekening met de progressieve doofheid, tinnitus en geringe Menière van appellant, zonder aanleiding voor urenreductie. Het maatmaninkomen werd vastgesteld op basis van vergelijkbare functies, niet op het feitelijk uitbetaalde salaris, dat niet representatief was vanwege negatieve bedrijfsresultaten. Het UWV handhaafde het besluit geen uitkering te betalen over de periode 31 mei tot 31 december 2000.
In hoger beroep bevestigde de Raad dat het UWV terecht handelde en dat het maatmaninkomen juist was vastgesteld. De Raad oordeelde dat de redelijke termijn voor de procedure was overschreden met ruim drie jaar en acht maanden, wat immateriële schade veroorzaakte. Daarom werd het UWV veroordeeld tot een schadevergoeding van € 4.000,-. Verder werden proceskosten en griffierechten aan appellant toegekend.
Uitkomst: Het besluit van 26 oktober 2005 wordt vernietigd en het UWV wordt veroordeeld tot een schadevergoeding van € 4.000,- wegens overschrijding van de redelijke termijn.