ECLI:NL:CRVB:2009:BI7366
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende onderbouwing arbeidskundige component
Betrokkene maakte bezwaar tegen het door het UWV genomen besluit tot beëindiging van haar WAO-uitkering per 28 juni 2005, omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% zou zijn. De rechtbank Breda vernietigde het arbeidskundige deel van het besluit, maar liet het overige besluit in stand. Zowel betrokkene als het UWV stelden hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat de arbeidskundige component geen zelfstandig vernietigbaar deelbesluit vormt en vernietigde daarom het oordeel van de rechtbank over dit onderdeel. De medische beroepsgrond, waarin betrokkene stelde dat haar beperkingen werden onderschat, werd verworpen. Diverse psychiaters gaven een diffuus beeld, maar de Raad stelde dat de diagnose niet doorslaggevend is; het gaat om de medisch objectiveerbare beperkingen, welke volgens de functionele mogelijkhedenlijst (FML) niet waren onderschat.
Het verzoek om een nieuw deskundigenonderzoek werd afgewezen. Betrokkene voerde ook aan dat het besluit in strijd was met verdragsrecht vanwege wijzigingen in het Schattingsbesluit, maar dit betoog faalde. De Raad vernietigde het bestreden besluit geheel, maar liet de rechtsgevolgen in stand. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht aan betrokkene.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt geheel vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.