ECLI:NL:CRVB:2009:BI3008
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C.M. van Laar
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op WAO-uitkering en overschrijding redelijke termijn in hoger beroep
Appellante, werkzaam geweest in parttime functies en met een geschiedenis van arbeidsongeschiktheid, verzocht het UWV om een WAO-uitkering met ingang van 1 maart 1997. Het UWV wees dit af op grond van het standpunt dat appellante haar maatgevende arbeid, namelijk de parttime functie van juridisch medewerkster voor 18 uur per week, kon verrichten. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat zij onvoldoende medische gronden had aangevoerd voor haar beperkte arbeidsduur.
In hoger beroep stelde appellante dat het UWV niet mocht terugkomen op het eerdere besluit waarin een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% werd vastgesteld. De Raad oordeelde dat het UWV op grond van artikel 43a van de WAO een volledige herbeoordeling moest doen en dat de maatgevende arbeid correct was vastgesteld. Medische stukken en verklaringen ondersteunden niet dat appellante uitsluitend om medische redenen parttime werkte. De Raad vond aanwijzingen dat andere niet-medische redenen een rol speelden.
Daarnaast behandelde de Raad het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De procedure duurde ruim elf jaar, waarbij de Raad vaststelde dat de redelijke termijn in zowel de bestuurs- als rechterlijke fase was overschreden. De Raad besloot het onderzoek te heropenen en de Staat der Nederlanden als partij aan te merken voor de verdere behandeling van de schadevergoeding.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees het verzoek om WAO-uitkering af, maar gaf aan dat de procedure over de redelijke termijn en schadevergoeding nog voortgezet zal worden.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante per 1 maart 1997 geen recht heeft op een WAO-uitkering en heropent het onderzoek naar schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.