ECLI:NL:CRVB:2009:BH6134
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling mate van arbeidsongeschiktheid en herziening WAO-uitkering per 27 juni 2006
Appellant stelde hoger beroep in tegen het besluit van het Uwv om zijn WAO-uitkering per 27 juni 2006 in te trekken wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. De rechtbank vernietigde het eerdere besluit en bepaalde dat het Uwv een nieuw besluit moest nemen, omdat de medische onderbouwing en de geschiktheid van de geduide functie van wikkelaar onvoldoende waren gemotiveerd.
In hoger beroep stelde appellant dat ook de latere Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 15 december 2006 zijn beperkingen onvoldoende weerspiegelde en dat geen rekening was gehouden met verslechteringen na de datum in geding. De Raad oordeelde dat deze bezwaren niet nieuw waren en onderschreef de eerdere oordelen van de rechtbank. Verslechteringen na 27 juni 2006 waren niet relevant voor deze procedure.
Het Uwv nam vervolgens een nieuw besluit op bezwaar op 24 september 2007, waarin de WAO-uitkering werd herzien naar een arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. De Raad achtte de motivering van de geschiktheid van de functies meteropnemer, samensteller metaalwaren en wikkelaar toereikend en verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee het oordeel van de rechtbank en het nieuwe besluit van het Uwv, waarbij het beroep van appellant werd afgewezen. De procedure had uitsluitend betrekking op de situatie per 27 juni 2006, waardoor latere gezondheidsverslechteringen en andere uitkeringsverzoeken niet aan de orde waren.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 24 september 2007 wordt ongegrond verklaard en de herziening van de WAO-uitkering naar 15-25% arbeidsongeschiktheid per 27 juni 2006 bevestigd.