ECLI:NL:CRVB:2009:BH5996
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging weigering WW-uitkering wegens niet verwijtbare beëindiging dienstverband
Appellant was in dienst bij een werkgever en heeft op 4 januari 2005 een brief ondertekend waarin hij instemde met de beëindiging van zijn dienstverband zonder opzegtermijn. Het UWV weigerde daarop zijn WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellant verwijtbaar werkloos was geworden.
Appellant stelde in hoger beroep dat hij door zijn verstandelijke beperkingen en onder druk niet begreep wat de ondertekening betekende. Hij overhandigde een rapport van deskundigen waaruit bleek dat zijn cognitieve vermogens op een zeer zwakbegaafd niveau liggen en dat hij de gevolgen van de beëindigingsovereenkomst niet kon overzien.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant onvoldoende gelegenheid had gekregen om zich te beraden en dat hem geen verwijt treft. Het UWV had daarom niet het recht om de maatregel van weigering van de WW-uitkering op te leggen. De Raad vernietigde het bestreden besluit en veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
De uitspraak benadrukt het belang van het zorgvuldig beoordelen van de verwijtbaarheid bij beëindiging van een dienstverband, zeker wanneer sprake is van cognitieve beperkingen bij de werknemer.
Uitkomst: Het besluit tot weigering van de WW-uitkering wordt vernietigd omdat appellant niet verwijtbaar werkloos is geworden.