ECLI:NL:CRVB:2009:BH5439
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WW-uitkering vanwege werkhervatting en heropeningsverplichting
Appellant ontving vanaf 3 juli 2006 een WW-uitkering op basis van gemiddeld 40,51 arbeidsuren per week. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) beëindigde de uitkering per 31 juli 2006 wegens werkhervatting, omdat appellant in die week 50,75 uur had gewerkt, wat geen urenverlies opleverde.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat bij het ontstaan van urenverlies in week 32 de uitkering automatisch had moeten herleven zonder nieuwe aanvraag. De Raad oordeelde dat het Uwv een uitvoeringspraktijk hanteert waarbij pas na vier weken wordt vastgesteld dat het recht op uitkering is geëindigd, om onnodige besluitvorming te voorkomen. Deze praktijk is geaccepteerd.
Verder bleek dat appellant na 6 augustus 2006 niet meer stond ingeschreven bij het CWI en geen sollicitaties had verricht, waardoor geen aanleiding bestond om de uitkering te heropenen. De Raad benadrukte dat appellant eenvoudig een heropening had kunnen aanvragen via een verkorte aanvraag, hetgeen door het Uwv ook was medegedeeld.
De Raad concludeerde dat de beëindiging van de uitkering terecht was en dat appellant geen recht had op automatische herleving zonder aanvraag. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De WW-uitkering is terecht beëindigd per 31 juli 2006 en appellant had een nieuwe aanvraag moeten indienen voor heropening.