ECLI:NL:CRVB:2009:BH2261
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens niet-woonachtig en gezamenlijke huishouding
Appellant vroeg bijstand aan en gaf op te wonen op een bepaald adres in Amsterdam. Na onderzoek door de Sociale Dienst bleek dat appellant niet op het opgegeven adres woonde en dat hij een gezamenlijke huishouding voerde met zijn ex-echtgenote, wat hij niet had gemeld. Het College trok de bijstand in en vorderde deze terug.
De rechtbank vernietigde enkele besluiten wegens ondeugdelijke motivering, maar liet de rechtsgevolgen grotendeels in stand. Appellant ging in hoger beroep tegen de instandhouding van deze rechtsgevolgen.
De Raad oordeelt dat de intrekking van de bijstand terecht was omdat appellant niet als alleenstaande kon worden aangemerkt door het voeren van een gezamenlijke huishouding. De Raad bevestigt dat het College bevoegd was tot intrekking en terugvordering en verklaart het bezwaar tegen intrekking over een korte periode niet-ontvankelijk. Ook het beroep op onrechtmatig huisbezoek faalt omdat het onderzoek onafhankelijk van dat huisbezoek was.
De Raad wijst erop dat de bestuursrechter niet gebonden is aan uitspraken van de strafrechter in een ander geding. De proceskosten worden niet aan appellant opgelegd. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 13 januari 2009.
Uitkomst: De Raad bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding en niet-woonachtig zijn op het opgegeven adres, en verklaart bezwaar over een deel niet-ontvankelijk.