ECLI:NL:CRVB:2008:BG8997
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na weigering gesprek met leidinggevende
Appellant was als schoonmaker in dienst bij een werkgever en kreeg herhaaldelijk waarschuwingen over zijn functioneren en houding tegenover leidinggevenden. Op 13 december 2004 weigerde hij tijdens zijn lunchpauze een dringend verzoek van de rayonmanager om in gesprek te gaan, waarna hij naar huis werd gestuurd. De werkgever beëindigde het dienstverband per 20 juni 2005.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) weigerde daarop de WW-uitkering omdat appellant verwijtbaar werkloos was geworden. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat hij redelijkerwijs had moeten begrijpen dat zijn weigering tot ontslag zou leiden.
In hoger beroep betwist appellant deze verwijtbaarheid en stelt dat hij het gesprek na de lunch wilde voeren en dat de beëindiging van het dienstverband niet voorzienbaar was. De Centrale Raad van Beroep volgt echter de rechtbank en het Uwv, oordelend dat de weigering van het gesprek, ondanks eerdere waarschuwingen en de dringende aard van het verzoek, verwijtbaar is en dat appellant onvoldoende redenen heeft aangevoerd die dit kunnen weerleggen.
De Raad bevestigt daarom de weigering van de WW-uitkering en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid.