ECLI:NL:CRVB:2008:BG6951
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op ziekengeld na ziekmelding vanuit WW-uitkering bij niet-uitgeoefende nieuwe functie
Appellante meldde zich op 18 juli 2005 ziek vanuit een WW-uitkering na een verkeersongeval. Het Uwv kende haar een Ziektewetuitkering toe, maar beëindigde deze per 19 april 2006 omdat zij niet langer ongeschikt werd geacht voor arbeid. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, waarbij het medisch oordeel van verzekeringsartsen doorslaggevend was.
In hoger beroep stelde appellante dat de rechtbank onjuist had geoordeeld over haar laatstelijk verrichte arbeid, omdat zij een nieuwe functie als bedrijfsleider had aanvaard. De Raad oordeelde dat deze functie niet daadwerkelijk was uitgeoefend en dat de maatstaf voor ongeschiktheid daarom de functie gegevensbeheerder bleef. Tevens vond de Raad geen aanleiding om te twijfelen aan de medische beoordeling dat appellante vanaf 19 april 2006 in staat was tot haar arbeid.
De medische gegevens bevestigden klachten als gevolg van een whiplash, maar zonder objectieve afwijkingen of psychische stoornissen die haar arbeidsongeschiktheid zouden rechtvaardigen. De bezwaarverzekeringsarts had de beperkingen beoordeeld aan de hand van werkbeschrijving en richtlijnen, en concludeerde dat er geen belemmeringen waren voor het verrichten van haar oorspronkelijke werk.
De Raad concludeerde dat het Uwv terecht de Ziektewetuitkering had beëindigd en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het bestreden besluit gehandhaafd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante vanaf 19 april 2006 terecht geen recht meer heeft op ziekengeld.