ECLI:NL:CRVB:2008:BG3709
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststellingsovereenkomst en gevolgen fiscale wijziging voor FPU-uitkering ambtenaar
Appellant, voormalig secretaris-directeur van het Waterschap Zuiderzeeland, werd in 2002 ontheven uit zijn functie en kreeg een vaststellingsovereenkomst waarbij hij 90% van zijn bezoldiging zou ontvangen tot aan zijn FPU-ontslag. In 2006 wijzigde het college de fiscale behandeling van zijn salaris, waardoor het netto-inkomen daalde door toepassing van de groene tabel in plaats van de witte tabel. Appellant vorderde compensatie en garanties op basis van de vaststellingsovereenkomst, maar het college wees dit af. De rechtbank bevestigde dit standpunt.
In hoger beroep stelde appellant dat het college gehouden is tot compensatie en dat de hardheidsclausule toegepast moet worden vanwege de verschuiving van de FPU-spilleeftijd, wat leidt tot een lagere uitkering. De Raad concludeerde dat uit de vaststellingsovereenkomst geen netto inkomensgarantie volgt en dat het college terecht geen compensatie verschafte voor de fiscale wijziging. Wel oordeelde de Raad dat het college onvoldoende onderzoek deed naar de gevolgen van de verschuiving van de FPU-spilleeftijd en dat toepassing van de hardheidsclausule passend kan zijn.
De Raad vernietigde het bestreden besluit voor zover het de FPU-uitkering betreft, en beval het college een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens veroordeelde de Raad het college tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd voor zover het de toepassing van de hardheidsclausule op de FPU-uitkering betreft en het college wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.