ECLI:NL:CRVB:2008:BG3497
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens niet-naleving inlichtingenplicht en onduidelijkheid woonadres
Appellant ontving sinds 1987 bijstand en kreeg deze laatstelijk toegekend als alleenstaande met toeslag. Het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam trok de bijstand per 1 oktober 2005 in, omdat appellant niet woonde op het opgegeven adres en het onduidelijk was of hij nog in Amsterdam verbleef. Appellant maakte bezwaar en stelde dat het besluit onvoldoende zorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd was.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de onderzoeksresultaten, waaronder verklaringen van appellant zelf afgelegd op 5 oktober 2005, voldoende grond boden om te concluderen dat appellant niet op het opgegeven adres verbleef. De Raad hechtte zwaar aan de aanvankelijke verklaring van appellant en vond onvoldoende reden om daarvan terug te komen. Overgelegde stukken van appellant konden niet aantonen dat hij in de betreffende periode op het adres woonde.
De Raad stelde vast dat appellant niet voldeed aan de inlichtingenplicht zoals bedoeld in artikel 17 van Pro de WWB, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Het College was daarom bevoegd de bijstand in te trekken op grond van artikel 54 van Pro de WWB. De Raad vond de motivering en totstandkoming van het besluit voldoende en zag geen reden om af te wijken van het beleid van het College. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering wordt bevestigd wegens niet-naleving van de inlichtingenplicht en onduidelijkheid over het woonadres.