ECLI:NL:CRVB:2008:BG1815

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 oktober 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-1701 WWB + 07-1702 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 52 WWBArt. 58 WWBArt. 59 WWB
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering voorschot bijstand aan gezinsleden na afwijzing aanvraag

In deze zaak is appellante samen met een gezinslid, [C.], geconfronteerd met een terugvordering van voorschotten bijstand die door het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Beesel zijn verleend. De aanvraag om algemene bijstand was door [C.] mede ten behoeve van appellante ingediend, maar uiteindelijk afgewezen. Het College had vervolgens de verstrekte voorschotten teruggevorderd op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

De rechtbank had het beroep van appellante en [C.] tegen de terugvordering ongegrond verklaard. In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad oordeelt dat de voorschotten aan appellante en [C.] als gezin zijn verleend, waardoor zij hoofdelijk aansprakelijk zijn voor terugbetaling. Het feit dat appellante zelf geen aanvraag heeft ingediend en beweert niet op de hoogte te zijn geweest, leidt niet tot een ander oordeel, mede omdat zij tweemaal heeft getekend voor ontvangst van voorschotten.

De Raad stelt vast dat het College heeft gehandeld in overeenstemming met het geldende beleid en de wettelijke bepalingen van de WWB. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd voor zover het beroep van appellante ongegrond is verklaard.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van voorschotten bijstand en de hoofdelijke aansprakelijkheid van appellante en haar gezinslid.

Uitspraak

07/1701 WWB
07/1702 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Naam appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 9 februari 2007, 05/1847 en 05/1862 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Beesel (hierna: College)
Datum uitspraak: 28 oktober 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. P. Ograjensek, advocaat te Echt, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 september 2008. Voor appellante is verschenen mr. L.E.I.K. Jaminon, kantoorgenoot van mr. Ograjensek. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Op 6 juni 2004 heeft [C.] (verder: [C.]) mede ten behoeve van appellante een aanvraag ingediend om bijstand in de algemeen noodzakelijke kosten van bestaan. Daarnaast heeft [C.] op 11 augustus 2004 verzocht om voorschotten tot een bedrag van € 1.000,-- per maand. Het College heeft vervolgens bij wijze van voorschot bijstand verleend in de vorm van een renteloze lening tot een bedrag van € 3.200,--.
1.2. Bij besluit van 2 november 2004 heeft het College de aanvraag van 6 juni 2004 afgewezen. Appellante heeft geen bezwaar ingediend tegen dit besluit.
1.3. Bij besluit van 29 juli 2005 heeft het College met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet werk en bijstand (WWB) de verstrekte voorschotten tot een bedrag van € 3.200,-- van appellante teruggevorderd.
1.4. Bij besluit van 10 oktober 2005 zijn de bezwaren tegen het besluit van 29 juli 2005 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante en [C.] tegen het besluit van 10 oktober 2005 ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Ingevolge artikel 52, eerste lid, van de WWB is het College bevoegd om bij wijze van voorschot bijstand te verlenen in de vorm van een geldlening.
Ingevolge artikel 58, eerste lid, aanhef en onder d, van de WWB kan het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kosten van bijstand terugvorderen voor zover de bijstand ingevolge artikel 52 bij Pro wijze van voorschot is verleend en nadien is vastgesteld dat geen recht op bijstand bestaat. Artikel 59, eerste lid, van de WWB bepaalt dat onverminderd artikel 58 de Pro kosten van bijstand van alle gezinsleden kunnen worden teruggevorderd, indien de bijstand aan een gezin wordt verleend. Artikel 59, derde lid, van de WWB, voor zover hier van belang, bepaalt dat de in het eerste lid bedoelde personen hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de terugbetaling van kosten van bijstand die worden teruggevorderd.
4.2. De Raad stelt voorop dat, nu de aanvraag om algemene bijstand door [C.] mede ten behoeve van appellante is ingediend, er van dient te worden uitgegaan dat de door [C.] gevraagde voorschotten op die uitkering zijn verleend aan appellante en [C.] tezamen.
4.3. Uit het in rechte vaststaande besluit van 2 november 2004, waarbij de aanvraag om bijstand van 6 juni 2004 is afgewezen, volgt dat geen recht op bijstand bestaat. Hieruit vloeit voort dat het College op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder d, van de WWB bevoegd was over te gaan tot terugvordering van de kosten van de verleende voorschotten.
4.4. Het College voert blijkens de Beleidsregels terugvordering en verhaal WWB het beleid dat, indien de bijstand ingevolge artikel 52 WWB Pro bij wijze van voorschot is verleend en nadien is vastgesteld dat geen recht op bijstand bestaat, de bijstand wordt teruggevorderd. De kosten van bijstand worden van alle gezinsleden teruggevorderd indien de bijstand aan een gezin is verleend. Er wordt slechts van terugvordering afgezien indien het bedrag van de vordering € 125,-- of minder bedraagt of indien er sprake is van dringende redenen. Naar het oordeel van de Raad gaat dit beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten. De Raad stelt voorts vast dat het College in overeenstemming met zijn ten tijde van het besluit van 10 oktober 2005 geldende beleid heeft gehandeld.
4.5. De grief dat appellante zelf geen aanvraag om een voorschot heeft ingediend en evenmin op de hoogte was van de aanvraag van [C.] kan niet leiden tot een ander oordeel. Hiertoe overweegt de Raad dat de voorschotten aan appellante en [C.] als gezin zijn verleend, zodat de kosten daarvan op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder d, van de WWB gelezen in verbinding met artikel 59, eerste lid, van de WWB zowel van appellante als van [C.] kunnen worden teruggevorderd, en zij ingevolge artikel 59, derde lid, van de WWB hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de terugbetaling. In dit verband acht de Raad relevant op te merken dat appellante blijkens de gedingstukken tot twee maal toe getekend heeft voor de ontvangst van een voorschot, hetgeen erop wijst dat zij wel degelijk ervan op de hoogte was dat mede ten behoeve van haar om die voorschotten was gevraagd. Appellante kan zich derhalve niet met vrucht beroepen op het vertrouwensbeginsel.
4.6. Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraak - voor zover daarbij het beroep van appellante ongegrond is verklaard - voor bevestiging in aanmerking komt.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en C. van Viegen en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2008.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) A. Badermann.
IJ