ECLI:NL:CRVB:2008:BD1540
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onvoldoende motivering korting WAO-uitkering wegens vermeende inkomsten uit hennepkwekerij
Appellant kreeg een korting op zijn WAO-uitkering over de periode van 1 januari 2004 tot en met 2 juni 2004, omdat het UWV meende dat hij inkomsten had genoten uit een hennepkwekerij. Dit was gebaseerd op een rapport waarin werd gesteld dat de aanwezigheid van stof op koolstoffilters duidde op een eerdere oogst. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat het UWV onvoldoende feiten had aangevoerd om aannemelijk te maken dat appellant daadwerkelijk inkomsten had genoten uit de hennepkwekerij. Het arrest van het Gerechtshof Arnhem werd daarbij betrokken, waarin werd vastgesteld dat alleen de vervuiling van het koolstoffilter onvoldoende bewijs was voor een eerdere oogst en opbrengst.
Daarom werd het bestreden besluit vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 en Pro artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, omdat het besluit onvoldoende was gemotiveerd. Het UWV werd opgedragen een nieuw besluit te nemen en het betaalde griffierecht aan appellant te vergoeden.
Uitkomst: Het besluit van het UWV tot korting op de WAO-uitkering wegens vermeende inkomsten uit hennepkwekerij wordt vernietigd vanwege onvoldoende bewijs en motivering.