ECLI:NL:CRVB:2008:BC9299
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens woonplaatsdiscussie Rotterdam en ’s-Gravenhage
Appellant ontving sinds 1997 bijstand van de gemeente Rotterdam. De gemeente ’s-Gravenhage stelde een onderzoek in naar zijn verblijf na een tip dat appellant samenwoonde op een adres in ’s-Gravenhage. De gemeente Rotterdam vorderde terugbetaling van bijstand over de periode 21 augustus 2002 tot 31 augustus 2003 en trok de bijstand in per 1 september 2003, omdat appellant zijn woonplaats zou hebben verplaatst zonder dit te melden.
De rechtbank oordeelde dat appellant woonde in ’s-Gravenhage en verklaarde het beroep gegrond, wat leidde tot vernietiging van de besluiten en opdracht tot hernieuwde besluitvorming. Het College nam een nieuw besluit op 14 december 2006, waarin de intrekking en terugvordering werden gehandhaafd op basis van de WWB.
De Centrale Raad vernietigt dit besluit omdat het op een onjuiste wettelijke grondslag berust en onvoldoende gemotiveerd is. De Raad stelt dat appellant zijn woonplaats niet heeft verplaatst, mede gelet op huisbezoeken, verbruik van gas en elektriciteit en het ontbreken van bewijs dat hij niet in Rotterdam woonde. Ook is onvoldoende bewijs dat appellant onvoldoende meewerkte aan het onderzoek.
De Raad bepaalt dat het College opnieuw moet beslissen op de bezwaren tegen de besluiten van november 2003, met inachtneming van deze uitspraak. Tevens veroordeelt de Raad het College in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: De besluiten tot intrekking en terugvordering van bijstand worden vernietigd wegens onvoldoende bewijs van woonplaatsverandering.