ECLI:NL:CRVB:2008:BC8876
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV over terugvordering WAO-uitkering wegens kinderopvangkosten
Betrokkene ontving vanaf november 1998 een WAO-uitkering en werd ingedeeld in de hoogste arbeidsongeschiktheidsklasse. Vanaf maart 1999 verrichtte hij werkzaamheden als zelfstandige, die hij vanaf september 1999 onderbracht in een besloten vennootschap. Het UWV verrekende arbeidsinkomsten met toepassing van artikel 44 van Pro de WAO en vorderde te veel betaalde uitkeringen terug.
De rechtbank vernietigde het besluit van het UWV voor de periode 1 maart tot 1 september 1999 wegens strijd met het beleid en oordeelde dat betrokkene niet tijdig duidelijkheid had over de hoogte van de uitkering. De Centrale Raad van Beroep oordeelt anders en stelt dat het UWV terecht met terugwerkende kracht artikel 44 toepaste Pro, omdat betrokkene pas in mei 2002 zijn inkomsten als zelfstandige opgaf.
In hoger beroep stond centraal of de door de vennootschap in mindering gebrachte kosten voor kinderopvang als arbeidsinkomsten aan betrokkene mochten worden toegerekend. De Raad volgt het vaste rechtspraak dat wordt aangesloten bij de door de fiscus aanvaarde winst, tenzij bijzondere omstandigheden zich voordoen. Het UWV stelde dat de fiscale keuze tot verlaging van de winst leidde tot lagere arbeidsinkomsten, maar dit werd onvoldoende geacht.
De Raad vernietigt het besluit van 12 november 2003, zoals gewijzigd op 4 juni 2004, en beveelt het UWV een nieuwe beslissing te nemen waarbij de kinderopvangkosten niet als arbeidsinkomen mogen worden toegerekend. Tevens veroordeelt de Raad het UWV in de proceskosten en bepaalt vergoeding van het griffierecht.
Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd en het UWV wordt opgedragen een nieuwe beslissing te nemen zonder kinderopvangkosten als arbeidsinkomen toe te rekenen.