ECLI:NL:CRVB:2008:BC5946
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- I.M.J. Hilhorst-Hagen
- B. Barentsen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging weigering WAO-uitkering wegens onzorgvuldige beoordeling arbeidsongeschiktheid
Appellante was sinds 23 april 2001 werkzaam als medewerker horeca/bedrijfsleidster en viel op 15 mei 2001 uit wegens psychische klachten. Het UWV weigerde haar per 14 mei 2002 een WAO-uitkering toe te kennen, stellende dat zij bij aanvang van de verzekering reeds gedeeltelijk arbeidsongeschikt was en dat haar beperkingen niet waren gewijzigd.
De rechtbank handhaafde dit besluit, maar de Centrale Raad van Beroep toetste het oordeel en concludeerde dat het UWV onvoldoende en onzorgvuldig had gemotiveerd dat appellante bij aanvang van de verzekering al beperkingen had die haar ongeschikt maakten voor haar functie. De medische en arbeidskundige rapporten onderschreven niet dat zij toen al ongeschikt was, vooral niet voor leidinggevende taken.
De Raad oordeelde dat het UWV ten onrechte had aangenomen dat de beperkingen bij aanvang gelijk waren aan die per einde wachttijd. Ook was onvoldoende rekening gehouden met het feit dat appellante eerder langdurig als bedrijfsleider had gefunctioneerd. De Raad vernietigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en beval een nieuw besluit op bezwaar.
Daarnaast veroordeelde de Raad het UWV in de proceskosten van appellante en bepaalde dat het griffierecht werd vergoed. Hiermee werd het belang van een zorgvuldige en onderbouwde beoordeling van arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering benadrukt.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot weigering van de WAO-uitkering wordt vernietigd en het UWV wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.