ECLI:NL:CRVB:2008:BC5483
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging en hernieuwde besluitvorming bij bijstandsherziening wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving sinds 1983 bijstand, waarvan de hoogte vanaf 1 januari 2004 werd geregeld onder de WWB. Na een anonieme melding startte de gemeente ’s-Gravenhage een onderzoek naar het vermeende gezamenlijke huishouden met een andere persoon, [L.], op haar adres. Het College concludeerde dat [L.] sinds 1997 zijn hoofdverblijf had bij appellante en herzag de bijstand over 1997-2004, vorderde terugbetaling en legde een boete op wegens niet melden van inkomsten.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde delen van het besluit, maar liet rechtsgevolgen van het vernietigde deel in stand. Appellante ging in hoger beroep tegen deze beslissing. De Raad oordeelt dat onvoldoende bewijs bestaat dat [L.] vanaf 1997 tot 10 januari 2004 hoofdverblijf had bij appellante, maar wel vanaf 11 januari 2004 tot 31 juli 2004. Daardoor was het College slechts bevoegd de bijstand over die laatste periode te herzien en terug te vorderen.
Het besluit van 9 augustus 2006, waarbij het bezwaar gedeeltelijk werd gehonoreerd en de boete werd omgezet, is onjuist omdat het College ten onrechte de WWB toepaste in plaats van de Abw. De Raad vernietigt dit besluit en beveelt het College tot een nieuw besluit op bezwaar, met inachtneming van deze uitspraak. Tevens veroordeelt de Raad het College in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: De Raad vernietigt eerdere besluiten en beveelt het College tot hernieuwde besluitvorming over bijstandsherziening en boete voor de periode vanaf 11 januari 2004.