ECLI:NL:CRVB:2008:BC3798
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- K. Zeilemaker
- L.H. Waller
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op bijstand en toekenning bijstandsuitkering volgens gehuwdennorm
Appellant, een Italiaans staatsburger, vroeg bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Zijn aanvraag werd aanvankelijk afgewezen omdat hij niet over het vereiste verblijfsrecht beschikte. Na bezwaar werd hem bijstand toegekend vanaf 1 augustus 2005 volgens de norm voor een alleenstaande, omdat zijn echtgenote en dochter geen verblijfsstatus hadden die recht gaf op bijstand. Vanaf 18 januari 2006 werd bijstand verleend volgens de gehuwdennorm.
De rechtbank oordeelde dat onvoldoende aannemelijk was gemaakt dat stortingen op de bankrekening van appellant leningen waren met een concrete terugbetalingsverplichting. Ook concludeerde de rechtbank dat de stortingen bedoeld waren voor het levensonderhoud van het hele gezin, zodat bijstandsberekening op gehuwdennorm had moeten plaatsvinden. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel deels, maar wijst het beroep van appellant af omdat het College terecht heeft vastgesteld dat de echtgenote geen rechtmatig verblijf had en daardoor geen recht op bijstand.
Verder oordeelt de Raad dat het College terecht de stortingen als inkomen heeft aangemerkt en dat de gehuwdennorm correct is toegepast bij de berekening van de bijstand vanaf 1 augustus 2005. De Raad vindt de berekeningen van het College juist en niet onredelijk, mede gezien de wisselende stortingen en het ontbreken van concrete bewijsstukken over leningen. Het beroep tegen het besluit van 14 november 2006 wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het besluit tot toekenning van bijstand volgens de gehuwdennorm wordt bevestigd.