ECLI:NL:CRVB:2008:BC3516
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante ging in hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem die het bezwaar tegen de intrekking van haar WAO-uitkering ongegrond verklaarde. Het Uwv had de uitkering ingetrokken omdat appellante minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. De rechtbank oordeelde dat de medische beperkingen juist waren vastgesteld en dat appellante arbeid kon verrichten binnen de vastgestelde beperkingen.
De rechtbank stelde echter dat het Uwv onvoldoende had gemotiveerd dat de functies inpakker en huishoudelijk medewerker binnen de belastbaarheid van appellante vielen. Na een nieuwe beslissing bleef het Uwv bij haar standpunt en verklaarde het bezwaar opnieuw ongegrond. De rechtbank bevestigde dit besluit, waarbij het medische oordeel van het Uwv bindend werd geacht omdat daartegen geen hoger beroep was ingesteld.
In hoger beroep betwistte appellante het medische oordeel en de passendheid van de functies. De Raad overwoog dat het medische oordeel onherroepelijk was en dat de bezwaarverzekeringsarts voldoende had gemotiveerd waarom de functie huishoudelijk medewerker passend was. De functie inpakker werd echter niet aan appellante toegerekend vanwege onvoldoende onderbouwing en het ontbreken van voldoende arbeidsplaatsen.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De intrekking van de WAO-uitkering blijft daarmee in stand omdat appellante voldoende belastbaar is en passende arbeid kan verrichten.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd omdat appellante passend arbeid kan verrichten binnen haar belastbaarheid.