ECLI:NL:CRVB:2008:BC3283
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens onvoldoende beschikbaarheid en referte-eis niet voldaan
Appellant verzocht om een WW-uitkering met ingang van 1 januari 2002 nadat hij als zelfstandige was gaan werken. Het UWV wees de aanvraag af omdat appellant niet beschikbaar was voor de arbeidsmarkt vanwege zorgtaken voor zijn zieke echtgenote en omdat hij niet voldeed aan de referte-eis van minimaal 26 gewerkte weken in de voorafgaande 39 weken.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat hij onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij vanaf 1 januari 2002 beschikbaar was voor arbeid. Appellant stelde dat hij wel degelijk pogingen had gedaan om werk te vinden, onder meer door contact met uitzendbureaus en het verspreiden van zijn cv.
De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank. Hij overwoog dat appellant onvoldoende bewijs leverde voor zijn beschikbaarheid vóór 12 juni 2003 en dat incidentele begeleiding van een derde geen bewijs was van arbeidsmarktdeelname. Gezien het ontbreken van voldoende gewerkte weken in de referteperiode, werd het recht op WW-uitkering terecht geweigerd.
De Raad wees tevens een verzoek om proceskostenvergoeding af en bevestigde daarmee de aangevallen uitspraak.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WW-uitkering wordt bevestigd.