ECLI:NL:CRVB:2008:BC1318

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 januari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-191 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens juiste vaststelling beperkingen bij fibromyalgie

Appellante ging in hoger beroep tegen de intrekking van haar WAO-uitkering door het UWV, welke per 1 oktober 2003 was vastgesteld. De rechtbank Amsterdam had het beroep ongegrond verklaard omdat het UWV voldoende en juiste gegevens had gebruikt om de beperkingen van appellante vast te stellen.

In hoger beroep voerde appellante aan dat zij meer klachten had en dat het Jan van Breemeninstituut de diagnose fibromyalgie had gesteld. Zij overhandigde een brief van een fysiotherapeut ter ondersteuning van haar standpunt dat zij meer beperkingen zou hebben dan aangenomen.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat deze aanvullende medische informatie geen aanleiding gaf tot een ander oordeel. De bezwaarverzekeringsarts had rekening gehouden met de diagnose en de fysiotherapeut gaf geen andere inzichten dan het instituut. Verdergaande beperkingen waren niet objectief vast te stellen.

De Raad bevestigde dat appellante met de aangenomen beperkingen in staat was de geduide functies te verrichten en wees het hoger beroep af. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd omdat de beperkingen juist zijn vastgesteld.

Uitspraak

06/191 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 november 2005, 04/3570 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 4 januari 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. P.A.A. Lelijveld, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 november 2007. Appellante is, zoals zij tevoren heeft bericht, niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door
mr. J.B. van der Horst.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 22 juni 2004 (bestreden besluit) heeft het Uwv, beslissende op bezwaar, de WAO-uitkering van appellante met ingang van 1 oktober 2003 ingetrokken.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat het Uwv van onjuiste beperkingen is uitgegaan. De verzekeringsartsen hebben voldoende gegevens ter beschikking gehad om tot een afgewogen oordeel over de beperkingen van appellante te kunnen komen. Appellante heeft geen medische stukken in het geding gebracht die aanleiding zouden kunnen geven om verdergaande beperkingen aan te nemen.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv voorts voldaan aan de nadere motiveringseisen in het kader van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem en de geduide functies op goede gronden gebruikt voor de schatting.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij veel klachten heeft.
Het Jan van Breemeninstituut te Amsterdam heeft de diagnose fibromyalgie gesteld. Zij heeft meer beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft zij een brief van de fysiotherapeut van 16 september 2004 overgelegd.
Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met haar stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank.
De informatie van de fysiotherapeut en de diagnose fibromyalgie leiden niet tot een ander oordeel. In dit verband verwijst de Raad naar de reactie van de bezwaarverzekeringsarts van 12 juli 2006, waarin deze aangeeft dat rekening is gehouden met de informatie van het Jan van Breemeninstituut en dat hij niet ziet dat de fysiotherapeut andere inzichten zou hebben dan de arts van het Jan van Breemeninstituut. Verdergaande beperkingen dan welke reeds zijn aangenomen zijn niet objectiveerbaar.
Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellante met de aangenomen beperkingen in staat moet worden geacht de geduide functies te verrichten.
Het hoger beroep slaagt dus niet.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en
J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 januari 2008.
(get.) J. Brand.
(get.) D.W.M. Kaldenhoven.
JL