ECLI:NL:CRVB:2008:BC1234

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 januari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-6749 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging rechtsgevolgen besluit intrekking WAO-uitkering zonder maximering maatman

De zaak betreft het hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tegen een uitspraak van de rechtbank Leeuwarden die het besluit van 21 december 2005 tot intrekking van de WAO-uitkering van betrokkene vernietigde vanwege een onterechte maximering van de maatman.

Appellant heeft later in hoger beroep afstand gedaan van het standpunt dat maximering van de maatman toelaatbaar was en verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak met behoud van de rechtsgevolgen van het besluit. De Raad overweegt dat betrokkene tegen de aangevallen uitspraak geen hoger beroep heeft ingesteld en dat de medische beperkingen juist zijn vastgesteld. Betrokkene kan de voorgehouden functies vervullen en heeft geen aanspraak op WAO-uitkering per 2 mei 2005.

Daarom bepaalt de Raad dat de rechtsgevolgen van het besluit van 21 december 2005 in stand blijven. Er is geen aanleiding voor schadevergoeding aan betrokkene en appellant wordt griffierecht opgelegd. Betrokkene heeft geen proceskosten gemaakt in hoger beroep.

Uitkomst: De rechtsgevolgen van het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering blijven in stand ondanks vernietiging van het besluit.

Uitspraak

06/6749 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 14 november 2006, 06/327 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[betrokkene] (hierna: betrokkene),
en
appellant.
Datum uitspraak: 4 januari 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 november 2007.
Appellant was vertegenwoordigd door mr. F.H.M.A. Swarts. Betrokkene is niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 21 december 2005 heeft appellant gehandhaafd zijn besluit de WAO-uitkering van betrokkene per 2 mei 2005 in te trekken.
Bij de aangevallen uitspraak is het door betrokkene tegen het besluit van 21 december 2005 ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, een en ander met beslissingen omtrent de vergoeding van proceskosten en griffierecht.
De rechtbank is in de aangevallen uitspraak tot het oordeel gekomen dat appellant bij zijn besluit van de juiste bij betrokkene bestaande medische beperkingen is uitgegaan. Vernietiging van het besluit van 21 december 2005 heeft plaatsgevonden, omdat – kort samengevat – aan het besluit ten onrechte een zogenoemde maximering van de maatman ten grondslag ligt.
Appellant heeft hoger beroep ingesteld op de grond dat maximering van de maatman in overeenstemming is met de wettelijke voorschriften en op goede gronden heeft plaatsgevonden.
Betrokkene heeft geen hoger beroep ingesteld.
Appellant heeft de Raad bij brief van 14 augustus 2007 medegedeeld het in hoger beroep ingenomen standpunt ter zake van de maximering van de maatman niet langer te handhaven. Voorts heeft appellant, zoals nader toegelicht ter zitting, verzocht om in het kader van een finale geschillenbeslechting de aangevallen uitspraak te bevestigen, maar te bepalen dat de rechtsgevolgen van het besluit van 21 december 2005 in stand blijven. Appellant heeft, onder overlegging van een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 13 augustus 2007, aangevoerd dat indien vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene plaatsvindt zonder maximering van de maatman er voor betrokkene per 2 mei 2005 evenmin aanspraak op een WAO-uitkering bestaat.
De Raad overweegt ter zake het volgende.
Nu betrokkene tegen de aangevallen uitspraak geen hoger beroep heeft ingesteld staat vast dat appellant bij het besluit van 21 december 2005 is uitgegaan van de juiste bij betrokkene bestaande beperkingen van medische aard.
Uitgaande van deze beperkingen kan betrokkene de haar voorgehouden functies vervullen. Betrokkene heeft dit in beroep niet met kracht van argumenten bestreden. Betrokkene heeft evenmin bestreden de in hoger beroep door appellant overgelegde berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene zonder maximering van de maatman. Zij heeft dan ook per 2 mei 2005 geen recht op WAO-uitkering.
Onder deze omstandigheden is de Raad van oordeel dat het ter finale beslechting van het geschil is aangewezen te bepalen dat de rechtsgevolgen van het besluit van 21 december 2005 in stand blijven.
Voor inwilliging van het door betrokkene in beroep gedane verzoek om schadevergoeding, bestaande uit wettelijke rente over na te betalen uitkeringen, bestaat dan ook geen aanleiding.
Nu de uitspraak van de rechtbank in stand wordt gelaten, wordt van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen griffierecht geheven.
Betrokkene heeft in hoger beroep geen proceskosten gemaakt. Voor veroordeling van appellant in de proceskosten bestaat dus geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 21 december 2005 geheel in stand blijven;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van
€ 428,- wordt geheven.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en J.P.M. Zeijen als leden. De uitspraak is, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 januari 2008.
(get.) J. Brand.
(get.) D.W.M. Kaldenhoven.
TM