ECLI:NL:CRVB:2007:BB8663
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- J. Riphagen
- A.T. de Kwaasteniet
- Rechtspraak.nl
Beslissing over terugvordering onverschuldigde WAO-uitkering zonder dringende reden tot kwijtschelding
Appellant stelde hoger beroep in tegen het besluit van het UWV tot terugvordering van onverschuldigd betaalde WAO-uitkeringen over de periode van 12 juli 1999 tot 20 februari 2000. Het UWV had een bedrag van €3.011,64 teruggevorderd, later gecorrigeerd naar €2.501,67. Appellant verwees naar persoonlijke en financiële omstandigheden en overhandigde een verklaring van zijn huisarts.
De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard omdat geen dringende reden was gebleken om geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering, zoals vereist op grond van artikel 57 van Pro de WAO. De Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel en oordeelde dat de omstandigheden van appellant, waaronder sociale problemen en eerdere opname in 1996, niet van dien aard waren dat zij een dringende reden vormden.
De Raad stelde vast dat het UWV verplicht is het onverschuldigd betaalde bedrag terug te vorderen en dat alleen bij zeer bijzondere omstandigheden kan worden afgezien van terugvordering. Het hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard voor het oude besluit en ongegrond voor het nieuwe besluit van 8 oktober 2007. Wel werd appellant het betaalde griffierecht vergoed.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard voor het oude besluit en ongegrond voor het nieuwe besluit; het UWV mag de onverschuldigde WAO-uitkering terugvorderen.