ECLI:NL:CRVB:2007:BA3633
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- A.B.J. van der Ham
- L.H. Waller
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens niet-woonachtig zijn op opgegeven adres
Betrokkene ontving bijstand vanaf 28 april 2003 en gaf op dat zij woonde bij haar zus aan een adres waarvoor zij huur betaalde. Het College twijfelde aan de feitelijke woonsituatie en startte een onderzoek, waarbij onder meer buurtbewoners werden gehoord en het water- en elektriciteitsverbruik werd geanalyseerd. Dit verbruik bleek extreem laag, wat duidde op niet-woonachtig zijn op het opgegeven adres.
De rechtbank oordeelde dat voor de periode tot 1 juli 2004 onvoldoende feitelijke grond was om de bijstand in te trekken, maar de Raad vernietigt dit oordeel voor de periode tot en met 30 juni 2004. De Raad stelt vast dat betrokkene niet daadwerkelijk woonde op het opgegeven adres en dat het College terecht de bijstand heeft ingetrokken en teruggevorderd.
De Raad wijst erop dat betrokkene onvoldoende informatie heeft verstrekt over haar woonadres, wat essentieel is voor het vaststellen van het recht op bijstand. Het lage verbruik van water en elektriciteit, het sobere huisbezoek en verklaringen van buurtbewoners ondersteunen deze conclusie.
Het hoger beroep van betrokkene voor de periode na 1 juli 2004 wordt afgewezen, omdat ook voor die periode onvoldoende bewijs is dat zij op het opgegeven adres woonde. De Raad bevestigt het Collegebeleid om bij niet-nakoming van inlichtingenverplichtingen terugvordering toe te passen, tenzij bijzondere omstandigheden dit verhinderen.
De uitspraak bevestigt het recht van het College om bijstand in te trekken en terug te vorderen bij niet-woonachtigheid op het opgegeven adres en onvoldoende medewerking aan onderzoek.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt afgewezen en het College mag de bijstand intrekken en terugvorderen wegens niet-woonachtigheid op het opgegeven adres.